LGB  Tuinbaan  Techniek 'de Bouw'.

In dit stuk wordt de technische bouw van de buitenbaan besproken. Simpel beginnend met de benaming van de aansluitkabels en dan stap voor stap de LENZ bouwstenen in.

In het hoofdstuk techniek stond de baan al weergegeven met daarin de nummers van de baanvakken. De bedoeling is om in de noordlus en in de zuidlus een verzamelpunt te maken voor de elektronica en aansluitpunten.

De buitenbaan met trajectnummers zoals deze ook in iTrain al gedefinieerd zijn. iTrain komt later eerst de aansluiting.

Overzicht aansluitingen.

Elk traject wordt aangesloten met een kabel. In de tabel staat het kabelnummer wat aan de kabel gegeven is en op welke ader het baandeel is aangesloten. Vervolgens wordt aangegeven op welke terugmelder het baanvak is aangesloten, zo ook op welke ingang van de terugmelder (Lenz LR101). De baanstukken worden via de bezetmelder LB101 aan de terugmelder gekoppeld. Vanaf Station is elke combinatie van twee baandelen een bezetmelder. J is de gemeenschappelijke aansluiting. In principe liggen alle J's aan elkaar vast.

Overzicht kabel- en trajectaansluiting.

Het overzicht in het railplan

Bij elk traject staat vermeld met welk kabelnummer en adernummer het traject is aangesloten. Tevens staat erbij op welke terugmelder en op welke ingang van deze terugmelder het traject is aangesloten. Het onderste getal is de trajectlengte. De zuidlus is op hoofdkabel 2 aangesloten en de noordlus op hoofdkabel 1. Beide kabels zijn parallel geschakeld daar waar de centrale komt te staan.

Aansluiting van de wissels.

De wissels worden aangesloten op een Lenz LS150 decoder. De decoder wordt ingebouwd in het seinhuis bij traject 1 en 2. Er zijn 6 wissels dus één decoder is voldoende. Om meer inzicht in de werking van de decoder te krijgen is de handleiding gedownload en is deze voor alle zaken die van belang zijn vertaald in het nederlands. Bij het Lenz-overzicht, te vinden in het hoofstuk Digitaal of in het hoofdstuk Lenz techniek. Om de wissel te schakelen wordt op de handheld LH100 de F toets ingedrukt gevolgd door 5. Vervolgens wordt het wisselnummer gekozen gevolgd door enter. Met + en - is de wissel te schakelen. Moeten achtereen volgens twee wissels geschakeld worden dan de handeling vanaf F herhalen.

De wissels van LGB worden omgezet met een ELP-wisselaandrijving, dit is een motorische aandrijving. Deze aandrijving wordt met twee dioden aangesloten op de uitgang van de LS150. Als diode kan de 1N4001 of de 1N4007 gebruikt worden. Dit zijn standaard dioden die in de elektronicazaak gekocht kunnen worden. De decoder krijgt zijn voeding via de wisselspanningsingangen en zijn commando's via de J en K ingangen (railaansluiting). Als trafo wordt aanbevolen een trafo met maximaal 16V~ en een maximaal vermogen van 45VA. Bij zwaardere trafo's kunnen de kortsluitbeveiligingen van de uitgangen wel eens door gaan slaan (defecte decoder tot gevolg). De ELP-aandrijvingen nemen weinig stroom af en daar de wissels achter elkaar geschakeld worden is de belasting van de decoder nooit zo heel hoog.

De wisseldecoder is in het seinhuis geplaatst, waar deze feitelijk ook thuis hoort. De dioden zitten aan de achterkant gesoldeerd. De wissels, de voedingsspanning en de railaansluiting zijn aangesloten. Alvorens de decoder te plaatsen is het adres van wissel-1 op 1 gezet zodat de decoder de wissels 1 t/m 6 schakelt.

De wisseldecoder kan ook geprogrammeerd worden als deze is ingebouwd.

Wisseldecoder             LS150-DE        LS 150-NL

De decoder is opgeborgen daar waar het thuis hoort, in het seinhuis.

 

 

 

Aansluiting van de noordlus.

De noordlus wordt aangesloten met bezetmelders (LB101) en terugmelders (LR101). Daar er een keerlus aanwezig is wordt ook een keerlusmodule (LK100) gebruikt. De spanning op de rails wordt met de spanningsdetector (LB050) doorgegeven aan de terugmelder (LR101). De functie van de spanningsdetector is het voorkomen van 'niet bezet' signalen naar de centrale als er bv kortsluiting op de baan is. Daar er dan geen stroom loopt kan de bezet melder onbezet doorgeven aan de terugmelder die dit vervolgens weer doorgeeft aan de centrale. Dit wil je niet omdat dit onbedoeld treinverkeer richting dat baanvak kan bewerkstelligen. Als de spanningsdetector meldt dat er geen spanning is dan geeft de terugmelder niets door aan de centrale.

Het waterspoortraject (trajectnummer 15 en 16) is het deel wat een keerlusfunctie heeft. Afhankelijk hoe de lok dit traject ingaat kan er kortsluiting ontstaan. Vandaar dat op dit stuk de keerlusmodule LK100 wordt gebruikt. Bij kortsluiting wordt de spanning omgepoold en de kortsluiting is opgeheven. De bezetmelders op dit stuk worden achter de keerlusmodule geplaatst (dus tussen de uitgang en de rail). De bezetsignalen kunnen op een al gebruikte terugmelder aangesloten worden. Van dit baanvak zijn beide staven elektrisch geïsoleerd van het andere spoor, dit aan beide kanten van dit traject. Op enkele foto's bij Bouw 2012 zijn de gele LGB isolatieblokjes te zien.

De terugmelder geeft zijn informatie aan de centrale door via de R en S verbindingen. Gebruik hiervoor altijd een twisted-pair kabelverbinding. Is uw engels niet meer wat het geweest is, twisted-pair zijn in elkaar gedraaide draden zoals bijvoorbeeld bij een telefoonkabel. De voedingsspanning komt via de wisselspanning aansluiting binnen, dit is een spanning van maximaal 16V~.

Let wel dat de terugmelder geprogrammeerd moet worden als deze nog niet is ingebouwd, dit in tegenstelling tot de wisseldecoder.

Afgebeeld is de keerlusmodule LK200, gebruikt is de LK100

Bezetmelder                LB101-DE        LB101-NL

Terugmelder                LR101-DE        LR101-NL

Spanningsdetector       LB050-DE        LB050-NL

Keerlusmdule              LK100-DE        LK100-NL

De kabels in het huisje in de noordlus zijn afgepeld. Nu de terugmeldmodules plaatsen en aansluiten. Er worden 4 bezetmelders en een terugmelder in een kabellasdoos geplaatst. De componenten voor het waterspoor komen in een tweede doos.

Met koperdraad is een brug gemaakt die de bezetmelders LB101 trapsgewijs met elkaar verbinden. Er is een brug gemaakt in J en K van de ingangen en de massa van de uitgangen. Zie foto links onder.

De bezetmelders zijn aangesloten op de terugmelder LR101. Om deze met de bezetmelders in een kabeldoos in te bouwen is de terugmelder uit zijn oorspronkelijke behuizing gehaald. Zie foto rechts onder.

Foto rechts, bovenin is de spanningsdetector LB050 geplakt.

 

 

 

 

 

Na het aansluiten en inbouwen werkte alles zoals het moet werken. De bezetmeldingen komen binnen op de handheld LH100. Het adres is er dus goed in gekomen, tja zo verwacht je wat meer uitzoekwerk maar dat is dus niet zo, het werkt gewoon.

Nu dit klaar is wordt het laatste deel van de noordlus gemaakt, de keerlusmodule LK100 met de bezetmelder LB101, de terugmelder LR101 en de spanningsdetector LB050. De foto toont alle vier de componenten die al met elkaar verbonden zijn. De spanningsdetector is rechts van de terugmelder geplakt en van de spanningsdetector is alleen het zwarte aansluitblokje te zien. De J en K draden naar de spanningsdetector zijn op de J en K aansluitingen van de bezetmelder  (middelste printplaat) gesoldeerd. De J en K klemmen van de bezetmelder blijven open voor de aansluiting vanaf de keerlusmodule (rechter printplaat, uit de behuizing gehaald).

 

 Vier van de drie van de componenten zijn in de kabellasdoos geplaatst. De draden voor de voeding, communicatie (R en S)  en de rails zijn al aangesloten.  De twee draden die nog niet zijn aangesloten zijn de J en K draden vanaf de centrale. Deze komen op de ingang van de keerlusmodule.

 

 

 

 

Op de foto rechts is de keerlusmodule in de lasdoos geplaatst, dit past net. Na de test is de deksel geplaatst en is de noordlus technisch klaar.

 

 

 

 

 

 

De beide kabeldozen op elkaar. De onderste doos bevat de detectie en terugmelding van de noordlus, dit zijn 8 trajecten. De bovenste doos is alleen voor het waterspoor in de noordlus. Het watersspoor is een stuk spoor wat feitelijk de basis is van de keerlus. Alleen in dit stuk spoor kan kortsluiting optreden zoals dat bij een keerlus optreed.. Vandaar dat alleen op dit stuk de keerlusmodule is geplaatst. Na de test bleek het goed te functioneren. De foto rechts is het huisje wat de beide dozen afdekt. De naden aan de binnenkant zijn afgedicht met siliconenkit om lekkage met regen te voorkomen.

Aansluiting van de zuidlus.

In principe is de zuidlus gelijk aan de noordlus. Ook in de zuidlus is een deel aangesloten met een keerlusmodule. Het aantal railvakken is nu 8 zodat er met één terugmelder gewerkt kan worden.

Opvragen van de databladen kan bij de noordlus.

Nu de noordlus klaar is kan met de zuidlus begonnen worden. Dit bosje kabels komt straks in een huisje en wordt aangesloten op bezetmelders en terugmelders. Vanaf deze plaats komt de voeding en de J en K railaansluiting voor de wisseldecoder. Deze aansluitingen zijn al klaar. Op het moment van dat de foto gemaakt is zijn de noodzakelijke verbindingen gemaakt om de trein door de zuidlus te laten rijden.

De volgende stap is een betonplaat voor het plaatsen van het huisje.

 

 

 

 

 

 

 

 

De bezetmelders zijn in de kabeldoos ingebouwd en aangesloten. Na het plaatsen van de deksel is de keerlusmodule geplaatst. Het geheel is weggewerkt in een huisje.

Het huisje in de zuidlus waarin de elektronica is geplaatst.

 

 

 

 

 

Aansluiten baan op de LENZ-centrale.

De Lenzcentrale en de handheld. De onderste grijze doos is de voeding, een ringkerntrafo met twee secundaire spoelen van 15V-5A. Beide spoelen hebben een eigen zekering.

Er zijn 6 draadjes wat de baan aansluit op de voeding en op de centrale.

 

 

Vanaf de muuraansluiting gaat een kabel naar de noordlus en een kabel naar de zuidlus. Middels één stekker is nu de centrale en de voeding op de baan aan te sluiten. Het is een vrij robuuste aansluiting die ook weersbestendig moet zijn, dit laatste moet nog blijken.

De muurconnector en de connector aan de centrale. Aangesloten en geborgd.

 De aanlsuitkabel naar de baan is een 4-polige kabel met adernummers 1 t/m 4. Naast deze kabel ligt een 4x2paren signaalkabel voor de terugmelders. Adernummer 1 is voor de J-aansluiting, adernummer 2 is voor de K-aansluiting en de adernummers 3 en 4 zijn voor de voedingspanning. Voor de terugmelding worden twee aderparen gebruikt, de groen met wit en de blauw met wit. R wordt aangesloten op de groene en blauwe ader, S op de beide witte aders.

De aansluiting van de centrale.

De aansluiting van de centrale is vrij simpel. Een voedingspanning op de ingangen U en V en de rest volgt vanzelf. De kabel tussen de handheld LH100 en de centrale is met een verlengsnoer van ongeveer 5 meter verlengt om meer bewegingsruimte te creëren.

De voeding met daarop de centrale LZV100 met daarboven de booster LV102. Beide worden gevoed uit 1 ringkerntrafo met twee secundaire spoelen.

Rechts de koppeling tussen de centrale en de booster, de aansluitingen C, D en E.

De zwarte stekker in het midden is de retourleiding R en S vanaf de terugmelders.

De 5 polige DIN-stekker (rond), genaamd Xpressnet, is voor de aansluiting van de handheld.

Links de aansluiting van de voeding U en V, met daar rechts van de railaansluiting J en K. De railaansluiting van de centrale en de booster zijn doorgekoppeld. Dat kan met maximaal twee componenten. Het voordeel is dat de baan niet in twee secties verdeeld behoeft te worden en je verkrijgt toch een groter vermogen.

De onderste component is de voeding, uitgerust met dezelfde stekkers als de LENZ componenten. Elke spoel is apart gezekerd.

De grijze en de zwarte leiding is de voedingspanning naar de wisseldecoder en de terugmelders.

De kabelboom is niets anders dan de losse draden met tyreraps bij elkaar gehouden. De kabelboom blijft wel soepel maar staat niet echt profi.