De Transformator
Aan de transformator zit een grijs netsnoer. Deze wordt voor het gebruik in het stopcontact gestoken. Tussen de bruine- en de gelebus staat nu een vaste wisselspanning van 18V(18V~). Tussen de bruine- en de rodebus is de spanning regelbaar tussen 0V~ en 18V~. Draait men de rode draaiknop iets op dan wordt de spanning ongeveer 4V~, draait men de knop verder dan wordt de spanning tenslotte 18V~. Als de locomotief van rijrichting moet veranderen dan wordt de rodeknop terug tot voorbij de nul gedraaid, de spanning tussen de bruine- en rodebus is nu ongeveer 24,5V~. Bij deze hogere spanning wordt de rijrichtingschakelaar of omkeerrelais aangesproken. Bij de oudere loks hoorde je het relais omschakelen en geven de loks soms een klein rijschokje, immers de hogere spanning kan net voor het omschakelen eventjes op de motor komen te staan. Bij de nieuwere loks, de loks met voorschakelelektronica, hoort men alleen het relais. Als de delta- en digitale loks in de stand 0 staan (conventioneel) dan hoort men niets maar is de lok wel omgeschakeld.
In het voorbeeld hieronder heeft de stekker een rode- en een blauwe streep. Dit is voor de uitleg van het koppelen van de transformatoren, met name de oudere transformatoren. Als in de voorbeelden beide rode pootjes links staan en beide blauwe pootjes rechts staan dan wordt bedoeld dat deze stekkers ook zo achter elkaar in het stopcontact gestoken worden. Dat houdt dus in dat bv alle rode pootjes aan de fase draad gekoppeld zijn en de blauwe pootjes aan de nul draad. De transformatoren staan dan in fase geschakeld. Dit houdt in dat als de amplitude van de wisselspanning van de ene transformator hoger wordt dat de amplitude van de wisselspanning van de andere transformator ook hoger wordt en niet lager, zoals bij een in tegenfase geschakeld.
Meerdere transformatoren parallel gekoppeld.
De transformatoren goed in het net gestoken De transformatoren fout in het net gestoken.
Om het vermogen te vergroten kunnen meerdere transformatoren parallel gekoppeld worden. Dit heeft als nadeel dat men er voor moet zorgen dat de netspanning aan beide (of alle) transformatoren in fase wordt aangeboden. Dit houdt in dat de beide rode pootjes uit het voorbeeld aan de zelfde kant van het stopcontact moeten zitten. Doet men dit niet en men steekt de stekker er verkeerd om in dan is er kortsluiting. Eén van de transformatoren schakeld uit. Dit is te horen aan de klik in de transformator (interne beveiliging).
Bij oudere transformatoren kan het gebeuren, dat als de gele- en bruinedraad aangesloten zijn, en er maar één stekker in het stopcontact gestoken is, dat op de andere stekker 240V komt te staan. Volgens de nieuwe wetgeving mag dat niet en moeten de nieuwe transformatoren (dus ook dit type) hiervoor beveiligd zijn. Bij de oudere blauwe- en grijze- metalen 10VA typen komt dit voor. Om de veiligheid voor de modelspoorder te vergroten had Marklin hiervoor een omruilaktie gestart. Ook een reden van de omruilaktie destijds is dat de netspanning verhoogd is van 220V naar 240V. Bij de oudere transformatoren is de uitgangsspanning dan ook hoger en dit kan schade geven aan de aangesloten modelbaan.
Meerdere transformatoren veilig gekoppeld.
Om een groter vermogen af te kunnen geven is het beter om het gevraagde vermogen over de aanwezige transformatoren te verdelen. Worden alleen de bruine bussen van de transformator doorverbonden dan is de kans op verkeerd ompluggen van de netstekker voorbij. Tevens kan er bij de oudere transformatoren ook geen spanning op een losse stekker komen te staan. Meet men met een wisselspanningsmeter de spanning tussen de bruine draad en een willekeurige gele draad dan geeft de meter 18V aan. Wel moet men er op letten dat ook nergens een gebruiker op twee gele draden, afkomstig van meerdere transformatoren, aangesloten wordt. Dan worden de transformatoren weer parallel gekoppeld, zoals in het eerste stukje, en is de kans op een afschakelende transformator weer aanwezig.
De rode aansluitdraden gaan naar het railblok waarvoor de transformator bedoelt is. De bruine draden worden op de rails aangesloten. Op de bruine draad kunnen ook de wisselschakelaars (7072) aangesloten worden. Aan de wissel- en seinspoelen zijn gele draden gemonteerd die dus ook op de gele bus van de trafo aangesloten moeten worden. De wissels kunnen verdeeld worden in groepen zodat het vermogen verdeeld wordt over de transformatoren. De verlichting wordt aangesloten op de bruine en de gele bus. Ook de verlichting kan verdeeld worden over de transformatoren of zelfs op een aparte transformator aangesloten worden.
Wel of niet in fase.
Wil men toch weten of alle transformatoren in fase aangesloten zijn (beide rode op de faseleiding en de beide blauwe op de nulleiding of v.v.) dan kan men dat eenvoudig met de wisselspanningsmeter meten. De spanning tussen twee gele transformatorbussen wordt gemeten, dus de gele bus van transformator-1 en de gele bus van transformator-2. Is deze spanning nul volt dan staan de transformatoren in fase aangesloten, is deze spanning 36 V dan zijn de transformatoren in tegenfase aangesloten. Door één van de stekkers in het stopcontact om te draaien kunnen de transformatoren weer in fase komen (aanbevolen).
In plaats van een meter kan ook een lampje gebruikt worden. Wordt het lampje tussen beide gele draden aangesloten en het lampje blijft uit, dan zitten de stekkers juist in het stopcontact. Denk bij het gebruik van een lampje wel aan de spanning van deze lamp. Gebruikt men modelspoorlampjes dan twee in serie zetten. Wil men toch parallel schakelen voor meer vermogen dan kan met behulp van de lampjes eerst de stekkers goed ingeplugd worden. Blijft het lampje uit dan kan vervolgens de gele draden daadwerkelijk doorverbonden worden.
Om in de toekomst de stekkers van de transformatoren direct goed in het stopcontact te stekken kan aan één kant van de stekker een kenmerk gemaakt worden. Bv een rode streep of vlak op de zijkant van de stekker aanbrengen.
Hoe luiden de nieuwste veiligheidsvoorschriften? Een citaat uit de norm (bron www.Märklin.nl)
Transformatoren met wisselspanningsuitgang in de uitgangsstroomkring moeten zodanig ontworpen zijn, dat wanneer
Concreet betekent dit voor u dat wanneer de uitgang van een transformator met de uitgang van een tweede transformator wordt verbonden, er een gevaarlijke netspanning op de uitgetrokken stekker van de tweede transformator staat.<--
Fasecontrole tussen twee stopcontacten of verdeeldoos.
Bij de verdeeldozen kun je er wel van uitgaan dat alle achterelkaar liggende gaten de fase of de nul van de netspanning zijn. Is men er niet zeker van dan kan dit gemeten worden met de wisselspanningsmeter. De ene meetpen van de meter wordt in een gat van het eerste stopcontact gestoken. De tweede meetpen in het andere gat van hetzelfde stopcontact. Nu meet men 240V. De eerste meetpen blijft op zijn plaats en de tweede meetpen wordt in een willekeurig gat van het tweede stopcontact gestoken. Geeft de meter 0V aan dan zijn beide meetpennen met elkaar verbonden, dus ook de zelfde netdraad van het 240V-net. Geeft de meter 240V aan dan is het gebruikte gat van het tweede stopcontact verbonden met het open gat van het eerste stopcontact.